Rotary Trofee voor het Nederlands
24 / mrt

Was me dàt even een opluchting: “Sint-Martinusscholen ASO winnen de 28ste Rotary Trofee voor het Nederlands!”. Ik kon maar net enige aanstuw tot een wilde vreugdedans onderdrukken (wie mij kent, weet trouwens dat dit geen goed idee zou geweest zijn). Met dank aan Astrid die excelleerde op het hoogste schavotje, en Thomas die zich fijntjes naar de derde plaats spurtte. Het is me in deze taalkundige context nog even grammaticaal onduidelijk of ‘de Sint-Martinusscholen ASO winnen’ dan wel ‘wint’ de voorkeur verdient, maar die haarkloverij laat ik graag over aan de neerlandici onder mijn oud-collega’s.

De voorbije jaren waren we in deze competitie wat op onze honger gebleven, met een opeenvolging van weliswaar verdienstelijke maar toch vooral ‘net niet’-resultaten. Toegegeven, we hadden daarbij (naar het schijnt) te lijden onder randverschijnselen die ook andere competities weleens parten spelen: een scheids die het helemaal anders (en vooral compleet fout) ziet, een publiek dat -opgejut door asociale media- onsportief en vooral ten onrechte voor de andere partij kiest, een nitwit die het om onduidelijke redenen tot videoref geschopt heeft en in die functie consequent blindemannetje speelt. En heel misschien hadden we die ene keer ook onze selectie wat moeten optimaliseren. Kan gebeuren … maar het mocht alleszins geen permanente status krijgen. Ik herinner me lang vervlogen tijden waarin terugkeren zònder prijs geen optie was voor een leerkracht-Nederland die zich voor het daaropvolgende schooljaar een fulltime-opdracht of minstens een verteerbaar uurrooster wou veiligstellen. En waarin een hoofdprijs van dertigduizend frank veel spectaculairder klonk dan eentje van zevenhonderdvijftig euro (alleen al dat woord ‘duizend’ brengt wat teweeg in je hersens). Maar bon … misschien heeft wat deze twee bedenkingen betreft het verstrijken van de tijd mijn geheugen niet onaangetast gelaten, en zijn de herinneringen wat fraaier dan de rauwe werkelijkheid.

In elk geval: gerechtigheid is eindelijk geschied en Walfergem heeft weer de plaats ingenomen die het rechtmatig verdient. Met dus (nogmaals, maar helemaal verdiend) welgemeende dank, dikke proficiat en driewerf hoera aan Astrid en Thomas. Dit knappe duo (inderdaad, een minder geladen term dan ‘stel’, ‘koppel’ of ‘paar’) toont meteen aan dat bedrevenheid en gedrevenheid in ‘taal’ op geen enkele manier vloekt met enige liefde voor het obligate STEM-kwartet. Het lijkt de jongste jaren een beetje bon-ton te zijn om leerlingen koste-wat-het-kost daarheen te draineren, en elke zijdelingse interesse voor ta(a)l(e)n onder te schoffelen. Je vraagt het me niet, maar mòcht je het me vragen: ik vind dat geen goed idee. Voor al die obstinate STEM-adepten wil ik graag Zjef Vanuytsel parafraseren (een bard uit de tijd dat Vlaamse songs nog verstaanbaar moesten zijn vanaf de kust tot in de Limburg): “… maar je kunt niet zonder het andere …”. Mocht je mij van enige voortrekkerij verdenken jegens al wat niet in het STEM-hokje past … think twice. Met vijfendertig jaar ‘M’-ervaring op de teller in Walfergem (nee, dat heeft niks vandoen met het M-decreet), sta ik in elk geval wat dàt betreft boven elke verdenking. Voor mijn part mogen we snel evolueren naar STELM-richtingen als we ons ASO nog de kwalificatie ‘A(lgemeen)’ willen gunnen. “En economie dan?” hoor ik je zeggen. Tja … dat kan nog altijd een dubbel gebruik van de ‘E’ opeisen. Het is de betrokken collega’s gegund, uiteraard, maar wie zei er weer dat, àls er iets misloopt … it’s the economy, stupid.

(LC)